In 1544 werden enorme hoeveelheden zilver ontdekt in de berg van Potosí, die vanaf toen Cerro Rico werd genoemd. Potosí werd een van de rijkste steden ter wereld. Nu is er weinig zilver meer over en werken de mijnwerkers onder erbarmelijke omstandigheden voor een hongerloontje (sommige verdienen maar 1400 bolivianos per maand, omgerekend zo'n 140 euro).
Vrij snel nadat ik hoorde over de mijn, besloot ik dat ik daar sowieso niet naar binnen ging. Bijna al mijn nachtmerries gaan over vastzitten in een kleine donkere grot en de beschrijvingen van de Potosí mijn door anderen die erin waren geweest klonken precies als mijn nachtmerrie.
Op de ochtend dat we van Potosí naar Sucre zouden vertrekken besloot ik toch te gaan. Ik was toch zeker niet gaan reizen om de bangeschijterd uit te hangen. Dus ik raapte mezelf bij elkaar, ademde een paar keer diep in en uit en gaf me op voor de trip naar de mijnen.
We waren in totaal twee uur in de mijnen en werden rondgeleid door een oud-mijnwerker die ons alles vertelde over de mijnen, de manier waarop gewerkt wordt en de omstandigheden waarin de mijnwerkers werken.
Er werken ongeveer 15.000 mannen in de mijn van Potosí. De hele economie van de stad leunt nog steeds op de mijn. Volgens de gids zullen de mineralen die ze uit de mijn winnen binnen 10 à 20 jaar helemaal uitgeput zijn en bovendien is er geen architect die zich bemoeit met het graven van de tunnels, dus er is een grote kans dat de hele boel op een gegeven moment gaat instorten. 15.000 mijnwerkers zullen dan hun baan verliezen en waarschijnlijk zal Potosí veranderen in een spookstad, of in een hele arme stad met extreem veel werkeloosheid.
Tijdens de tour kwamen we regelmatig mijnwerkers tegen die ons vertelde wie ze waren, hoe oud ze waren en hoe lang ze al in de mijn werkten. De gids vertelde ons dat vanwege de aanwezigheid van arsenicum in de mijn, alle mijnwerkers binnen 10 à 20 jaar longkanker krijgen. Hierdoor worden de mijnwerkers nooit ouder dan 45 jaar. Op een gegeven moment kwamen we een jongen tegen die vertelde dat hij 15 was en al een jaar in de mijn werkte, omdat zijn vader overleden was vanwege het werk in de mijn en hij nu geld moest verdienen voor zijn familie.
Je realiseren dat een jongen jonger dan je jongste neefje meer dan 40 uur per week onder de grond werkt om geld te verdienen voor zijn familie en dat hij binnen 20 jaar terminaal ziek zal zijn vanwege zijn werk is echt heel confronterend en het was moeilijk om niet ter plekke in huilen uit te barsten.
Hoewel het niet echt een vrolijk uitstapje was en ik ontzettend opgelucht was toen ik weer in de buitenlucht stond, ben ik toch blij dat ik gegaan ben, want een belangrijk onderdeel van reizen vind ik zien hoe de mensen echt leven. De wereld is nog lang niet waar het zou moeten zijn.
Hoewel het niet echt een vrolijk uitstapje was en ik ontzettend opgelucht was toen ik weer in de buitenlucht stond, ben ik toch blij dat ik gegaan ben, want een belangrijk onderdeel van reizen vind ik zien hoe de mensen echt leven. De wereld is nog lang niet waar het zou moeten zijn.







.jpg)







